Auteurs: A Hussain, A Lipton, A Lipton, Ada Braun, Alison Stopeck, AM Abdulhalim, Arun Balakumaran, AT Stopeck, Blair Egerdie, C Nieder, Charles Cleeland, CS Cleeland, CS Cleeland, CS Cleeland, CS Cleeland, D Henry, Danail Damyanov, DF Cella, DH Henry, Donald L. Patrick, E Chow, F Saad, Felipe Salvador Palazzo, G Oster, Gavin Marx, GD Roodman, GR Mundy, GV Scagliotti, JA Ford, Janet Brown, Jean-Jacques Body, K Cetin, K Fizazi, K Fizazi, K Lemay, K Webster, KC Chung, L Costa, L Costa, L Costa, Lesley Fallowfield, LS Rosen, M Maltoni, M Norgaard, M Yong, MR Smith, N Sathiakumar, N Sathiakumar, R Moos von, R Moos von, RE Coleman, RE Coleman, Roger von Moos, S Vadhan-Raj, Yi Qian, Ying Zhou
Gepubliceerd: 1 januari 2015
In een gecombineerde groep van 5.543 patiënten met solide tumoren en botmetastasen in drie fase 3-studies nam het percentage patiënten dat matige/hevige pijn ervoer geleidelijk toe gedurende de zes maanden voorafgaand aan een skeletgerelateerde gebeurtenis (SRE) en bleef dit daarna verhoogd. Regressieanalyse toonde aan dat alle soorten SRE – pathologische fractuur, radiotherapie op bot, chirurgie aan bot en compressie van het ruggenmerg – significant geassocieerd waren met een verhoogd risico op progressie naar matige/hevige pijn. De mate waarin de pijn de fysieke functie belemmerde, was bij alle soorten SRE significant groter. Daarentegen vertoonden patiënten zonder SRE gedurende de tijd relatief stabiele pijnniveaus.
